Tip voor raadsleden: bepaal uw doel

Debatteren is geen doel op zichzelf. Het debat in de raad is een instrument om iets anders te bereiken. Enkele mogelijke doelen van raadsdebatten:

  • Verantwoording afleggen over het beleid aan de inwoners
  • Gezamenlijk een voorstel kritisch bekijken en waar nodig polijsten
  • Een slecht voorstel van tafel krijgen of minder slecht maken
  • Profileren richting pers en publiek

De eerste twee doelen gelden voor de raad als geheel. De laatste twee doelen zijn veel meer voor individuele raadsleden en fracties. Nog voor u uw betoog voor de eerste termijn uitschrijft, vraag uzelf af: “wat wil ik in dit debat bereiken?” Als u graag een meerderheid wilt voor een amendement dat u mogelijk indient helpt het niet als u het college wegzet als incapabele bestuurders. En als u uzelf wilt profileren voor pers en publiek is een verhaal dat erg gericht is op andere politici, met veel vaktermen en jargon, niet effectief.

Wat u vertelt is afhankelijk van wat u wilt bereiken. Bepaal daarom eerst wat u wilt bereiken en daarna pas wat u wilt vertellen.

Tip voor raadsleden: ken uw instrumenten

Raadsleden hebben een aantal wettelijke instrumenten tot hun beschikking om hun werk uit te oefenen. Sommigen worden vaak gebruikt, anderen een stuk minder. Veel raadsleden hebben hun recht van interpellatie nog nooit gebruikt, en in sommige gemeentes is zelfs het recht van amendement een instrument dat zeer zelden wordt gehanteerd.

De Gemeentewet geeft raadsleden meer mogelijkheden dan vergaderen, debatteren en stemmen. Verdiep u in de rechten en zorg dat u weet wat u kunt doen om uw doelen te bereiken.

Maar onthoud één belangrijke les: sommige instrumenten zijn zwaarder dan anderen. Als u het oneens bent met het beleid van een wethouder is een motie van wantrouwen niet direct het meest gepaste instrument. Vraag uzelf af: is het instrument dat ik wil inzetten niet te zwaar? Of is het misschien te licht?

Bij twijfel: raadpleeg de griffier. Uw griffier is op de hoogte van uw rechten en instrumenten en kan u ook adviseren over de instrumenten die u in uw situatie het best kunt gebruiken.

Tip voor raadsleden: hoe ga ik om met kritische inwoners?

Inwoners die kritisch zijn over beleid en voorstellen zijn natuurlijk fijn. Deze mensen denken mee en gaan vaak met u in gesprek. Zij zijn een bron van potentieel goede ideeën en moeten gekoesterd worden.

Maar sommige inwoners zijn niet kritisch op de inhoud, maar kritisch op “de politiek”. Want raadsleden zijn allemaal zakkenvullers die er voor hun eigen gewin zitten en niet luisteren naar inwoners. Hoe ga je met deze kritiek om?

Wie wordt aangevallen wil zichzelf graag verdedigen. Maar “wij zijn helemaal geen zakkenvullers, we krijgen slechts een vergoeding van een paar honderd euro” komt niet sterk over. Een discussie over uw vermeende zakkenvullerschap maakt het vaak alleen maar erger en bevestigt bestaande gevoelens.

Er zit blijkbaar (al dan niet terechte) frustratie bij uw gesprekspartner. Toon oprechte interesse en vraag door, dan is zelfs de grootste zuurpruim om te buigen tot een constructieve gesprekspartner. “Wij krijgen inderdaad betaald voor ons werk als raadslid, en u vindt dat we daar blijkbaar onvoldoende tegenover zetten. Wat zouden wij volgens u nog beter kunnen doen als gemeenteraad?”

Tip voor raadsleden: benoem de kleine overwinningen

Voor veel raadsleden is het glas eerder half leeg dan half vol. Maar ook voor raadsleden geldt: tel uw zegeningen en wees niet bang om andere fracties daarvoor te bedanken. Een goed voorbeeld uit een raadsdebat over het aantal bomen dat moest worden geplant in een nieuwe woonwijk:

GroenLinks (oppositie): “Het collegevoorstel gaat uit van 100 bomen voor de hele wijk. Dat is wat ons betreft veel te weinig. Een groene wijk maakt wonen aantrekkelijk en zorgt voor een goede leefbaarheid. Wij stellen voor om 500 bomen in de wijk te plaatsen.”

PvdA (coalitie): “Een groene wijk is inderdaad belangrijk. We kunnen ons wel vinden in een voorstel waar 200 bomen worden geplant.”

GroenLinks (oppositie): “Slechts 200 bomen? Vindt u een wijk van dit formaat al groen als er maar 200 bomen staan? Het is wel duidelijk dat de PvdA niet voor een groene gemeente gaat.”

Dit maakt de kans dat de PvdA in de toekomst weer meebeweegt met GroenLinks eerder kleiner dan groter. Let goed op andere fracties: wanneer bewegen zij uw kant op? En als zij dat doen, complimenteer hen dan en geef aan dat u het fijn vindt dat de andere fractie ook het belang van een groene wijk onderschrijft. Daarna kunt u uiteraard nog in gesprek gaan over wat u écht zou willen.

Tip voor raadsleden: oefen met debatten

Een veelgehoorde opmerking tijdens debattrainingen voor gemeenteraden en fracties: “dit moeten we eigenlijk veel vaker oefenen.” Een terechte opmerking, debatteren kun je immers leren. Dit kan natuurlijk door maandelijks met de fractie een debattraining van Debat.NL te volgen, maar het kan ook gemakkelijker. Maak er een gewoonte van om tijdens fractievergaderingen regelmatig met elkaar een debat te oefenen. Een advocaat van de duivel neemt daarbij bewust het standpunt van een andere partij in, en in een korte oefening debatteren kunnen de twee fractieleden met elkaar in debat.

Oefendebatten zorgen voor verbetering
In een oefendebat kunt u experimenteren met nieuwe debattechnieken en bent u vrij om uw eigen debatstijl verder te ontwikkelen. In een echte raadsvergadering spelen belangen mee en is deze oefenruimte veel kleiner. Maar als u nooit de tijd neemt voor een realistische oefening kunt u uzelf nooit naar een hoger niveau tillen.

Oefendebatten zijn een goede voorbereiding
Bedenk wat de lastigste debatten waren die u als raadslid heeft gevoerd. Heeft u vooraf met de fractie een oefendebat gehad waarbij alle fractieleden een andere raadspartij vertegenwoordigden? Waarschijnlijk niet. Een gemiste kans, want in een kort oefendebat van 15 minuten komen alle belangrijke thema’s vaak al bovendrijven. U ziet welke opmerkingen gevaarlijk kunnen zijn, welke argumenten tegenstanders kunnen aandragen om u onderuit te halen en hoe u daar mee om kunt gaan. Voor ieder belangrijk debat zou een fractie een intern oefendebat moeten organiseren.

Tip voor raadsleden: stuur aan de voorkant

Voor veel raadsleden begint het politieke proces als het collegevoorstel binnen komt. Dan gaan ze zich inlezen, technische vragen bedenken, een fractiestandpunt bepalen en in gesprek met de achterban. Het is vervolgens erg lastig om nog invloed uit te oefenen op het voorstel: er ligt immers al een kant-en-klaar plan en de kans is groot dat er snel besloten moet worden. Dit beperkt de bewegingsruimte van raadsleden enorm.

Als u meer invloed wilt, zorgt dat u eerder aan tafel zit. Waarom wordt een voorstel eerst opgeschreven en wordt er dan pas gevraagd om uw mening en die van uw achterban? Dit is niet in uw belang en niet in het belang van de inwoners.

Tijd voor meer sturing aan de voorkant. Als u weet dat de wethouder een stuk gaat schrijven, geef dan aan waar het stuk in ieder geval aan moet voldoen. Wat moet er in ieder geval in staan, welke onderdelen van het beleid zijn voor u zeer belangrijk en welke groep inwoners mag de wethouder zeker niet over het hoofd zien in zijn collegevoorstel?

Grote kans dat dit serieus wordt overwogen. De wethouder wil immers ook graag draagvlak in de raad en heeft nu nog alle ruimte om het voorstel zo in te richten als hij wil. Als het helemaal af is is die ruimte een stuk beperkter. Stuur aan de voorkant, niet aan de achterkant.

Tip voor raadsleden: gebruikt interrupties

Veel raadsdebatten bestaan vooral uit lange monologen van raadsleden, die netjes vanaf het papier worden opgelezen. Soms volgt er nog een tweede termijn met iets meer interactie, maar het oplepelen van een verhaal is vaak de favoriete bezigheid van raadsleden. Saai voor het publiek, saai voor andere raadsleden en saai voor de media.

Gebruik uw podium niet voor het oplezen van al uw argumenten, maar houd een kort en krachtig betoog over uw standpunt. En focus u vervolgens op het interrumperen van anderen. Niet om hen dwars te zitten of onderuit te halen, maar om hen te verleiden om het over úw thema’s en úw argumenten te gaan hebben. Zo komen uw thema’s centraal te staan in het debat, kunt u zich krachtig profileren (toeschouwers letten altijd extra goed op bij een interruptie) en vergroot u de kans dat een ander raadslid serieus over uw argument nadenkt.

Bereid dus niet alleen uw eerste termijn voor, maar vraag uzelf ook af: wat ga ik in deze vergadering aan wie vragen?

Tip voor raadsleden: word niet reactief

Het begon zo leuk toen u campagne voerde voor uw eerste termijn als raadslid. Vol frisse ideeën over hoe de gemeente anders kon werd u uiteindelijk gekozen om plaats te nemen in de raad. En nu aan de slag!

Maar de eerste week kwamen er al honderden pagina’s aan memo’s, voorstellen en verordeningen binnen. En na nog geen maand gaat alle aandacht uit naar zaken die op de agenda van de raad staan. Voorstellen die vooral door het college worden gedaan. Het gevaar is om reactief te worden: mee te drijven met de stroom en geen invloed uit te oefenen op waar men over vergadert.

Een reactief raadslid debatteert netjes over wat er op de agenda staat, plaatst af en toe een kritische noot en dient misschien wel een amendement of motie in. Maar heeft nooit echte controle op het politieke proces en is dus minder effectief.

Pro-actieve raadsleden kijken naar de lange termijn agenda en zien wat er al behandeld gaat worden. Welke zaken missen er? Welke belangrijke thema’s blijven liggen? Met interpellatiedebatten, moties, initiatiefvoorstellen en aandacht in de media kunnen onderwerpen op de agenda komen. Deze debatten zijn goede momenten voor profilering (het zijn immers uw thema’s) en bieden een mooie kans om de gemeente nog beter te maken.

Tip voor raadsleden: mijd mondelinge technische vragen

Veel commissievergaderingen (en raadsvergaderingen!) worden gevuld met flinke hoeveelheden technische vragen aan de wethouder. Een goede manier om te testen of de portefeuillehouder goed in de materie zit, maar geen goede manier om een spannend debat neer te zetten en met elkaar een goed gesprek te voeren over de voor- en nadelen van het voorstel. Twee belangrijke reminders voor raadsleden die tijdens vergaderingen technische vragen stellen:

Wie informatie te laat heeft mist een kans om te overtuigen
De technische vragen die u stelt zijn nodig om een nader standpunt te bepalen of om uw bestaande standpunt te onderschrijven. Maar eigenlijk is het tijdens de vergadering al te laat. U bent met alle woordvoerders en de portefeuillehouder met elkaar: dit is het moment waarop het kan gebeuren! U kunt uzelf profileren met een goed betoog op basis van technische informatie. U kunt andere raadsleden overtuigen op basis van technische informatie. Maar het is lastig om de zojuist ontvangen informatie direct in te zetten voor een van die doelen. Zorg dat u voor de eerste commissievergadering alle technische aspecten van het voorstel duidelijk hebt. Dan kunt u zich richten op manieren om te overtuigen.

Portefeuillehouders zijn dol op technische vragen
Ook al kan het soms frustrerend zijn om lange lijsten aan vragen weg te werken, voor de wethouder komt het vaak erg goed uit dat er veel technische vragen worden gesteld. Elke minuut die verloren gaat aan een vraag-antwoordspelletje is een minuut waarop raadsleden niet met elkaar op zoek gaan naar manieren om het voorstel beter te maken. Of naar redenen waarom het misschien geen goed idee is. Technische vragen (en de daaropvolgende antwoorden) kosten tijd en staan een echt debat op basis van argumenten in de weg. En dat is niet goed voor de raad, niet goed voor de wethouder en niet goed voor de inwoners.

Hoe kom ik gestructureerd over?

Tijdens een debat wilt u natuurlijk niet onsamenhangend overkomen. U wilt dat uw publiek duidelijk weet wat u nu vertelt en hoe zij dat moeten plaatsen binnen het debat. Als u merkt dat u snel van de hak op de tak springt is meer structuur nodig om uw bijdrage overzichtelijker te maken. Geef niet alleen de inhoud, maar zorg voor een goede kop en een goede staart.

Start uw bijdrage door kort weer te geven wat u gaat vertellen. “Ik zal u uitleggen welke twee onderwerpen hier het belangrijkst zijn.”

Daarna geeft u de inhoud en noemt u de twee onderwerpen. U geeft de inhoudelijke argumenten en legt netjes uit waarom de onderwerpen zo belangrijk zijn.

En u eindigt met een korte afsluitende zin: “Daarom zijn deze twee onderwerpen zo ongelofelijk belangrijk.” Niemand in het debat zal vergeten wat uw twee punten waren. Daarnaast weet iedereen waar u mee bezig bent: het uitleggen wat in deze discussie belangrijk is. Zo kunnen ze uw inhoud beter plaatsen en wordt u bijdrage begrijpelijk en overzichtelijk.

Moet ik altijd ieder probleem kunnen oplossen?

Nee. Soms kunt u prima toegeven dat u de oplossing op een groot probleem ook niet weet. Deze oprechte onmacht wekt sympathie op en komt eerlijk over. Maar als u alleen zegt dat u geen oplossing heeft komt u natuurlijk niet sterk over. Benoem daarom ook zeker waar u wél oplossingen voor heeft.

Als Pim Fortuyn tijdens een debat wordt gevraagd wat hij gaat doen aan de files, antwoordt hij: “Niets.” De gespreksleider vraagt door en Pim Fortuyn geeft een duidelijk reactie: “Als u meer asfalt wilt, stem dan Dijkstal. Wilt u meer treinen, stem dan Rosenmöller. Ik ga voor meer veiligheid, onderwijs en integratie en daar heb ik mijn handen vol aan!”

Wie wil ik overtuigen?

Op de vraag hoe je een debat moet winnen antwoorden veel mensen: “door goede argumenten te hebben.” Maar wat is een goed argument? Wie bepaalt wanneer een argument goed is en wanneer slecht? Precies, uw doelwit. Een belangrijke vraag voor ieder debat en iedere vergadering is dan ook: wie wil ik overtuigen? Of het nu om honderdduizenden televisiekijkers, enkele mensen in de zaal of één collega gaat: inzicht in de doelgroep is van levensbelang.

Vervolgens stemt u uw verhaal af op uw doelwit. Kies voorbeelden die herkenbaar zijn voor uw doelwit. Verplaats u in de ander en vraag uzelf af: “wat zou ik vanuit die positie belangrijk vinden?” Hoe meer empathie u heeft voor uw doelwit, hoe eerder u hen overtuigt.

Hoe vermijd ik een definitiedebat?

Sadistische communicatietrainers geven een afdeling van tien personen de opdracht om met een definitie van ‘collegialiteit’ te komen waar iedereen zich in kan vinden. Verwarring, ergernis en chaos zijn gegarandeerd. Een debat over definities schiet vaak het doel volledig voorbij. De oplossing: maak het debat weer concreet door het over de werkelijkheid te gaan hebben.

In debat met collega’s over duurzaamheid ontstaat steeds ruzie over de exacte betekenis van het begrip. Dit kan eindeloos doorgaan. Doe er niet aan mee maar verleg de focus van het debat. “Laten we verder kijken dan de definitie van duurzaamheid. Hoe krijgen we ons wagenpark twintig procent zuiniger?”. Zo kunnen we weer aan de slag met argumenten.

Mijn tegenstander is vaag en onduidelijk

Een van de oudste trucs uit het boekje is If you can’t beat them, confuse them. Uw tegenstander is zo vaag in zijn bewoordingen dat u er niets van begrijpt. En de rest van de aanwezigen waarschijnlijk ook niet. Daarmee overtuigt uw tegenstander niemand, maar kan er ook geen goed debat ontstaan en lijkt hij ongrijpbaar. Wat nu?

Het is verleidelijk om aan te geven dat u er niets van begrijpt. Maar deze opmerking is wel erg gemakkelijk te pareren met een gemene reactie (“Dat verbaast me niets!”). Benoem daarom niet dat u het zelf niet begrijpt, maar dat ‘de ander’ (het publiek, de kiezers, de andere deelnemers aan het debat) hier niets van snappen. Als u dan vervolgens zelf ook uitlegt hoe het wél zit heeft u direct een mooie kans om uw eigen standpunt nog eens voor het voetlicht te brengen.

Zit het zweet op de juiste rug?

Een oud adagium in de rechtspraak luidt: “wie eist, bewijst.” Met andere woorden: wie een standpunt poneert moet hem ook zelf onderbouwen. In debatten maken mensen zich er vaak gemakkelijk vanaf door die een omgekeerde bewijslast van de ander te vragen.

In een debat in 2002 stelt Pim Fortuyn dat ‘Paars volledig is mislukt’. De reactie van Ad Melkert: “Dat is niet waar.” Fortuyn verschuift kunstig de bewijslast: “Bewijst u dat maar eens!”, waarna Melkert hard aan het werk gaat en met allerlei argumenten komt.

Tijdens een debat wilt u erop toezien dat degene die een argument aandraagt ook degene is die daar de onderbouwing voor geeft. Gebeurt dat niet? Spreek hen er gerust op aan. “U zegt dat… Kunt u ook uitleggen waarom dat waar is?”